Parasieten in het voorjaar: hoe voeding helpt bij preventie
Parasieten bij dieren voorkomen met voeding: de rol van koper, tannines en weerstand opbouwen. Voorjaarstips.

Waarom het voorjaar zo riskant is
Parasieten bij weidende dieren volgen een seizoenspatroon dat nauw samenhangt met temperatuur en vochtigheid. In de winter zijn de meeste maag-darmwormlarven inactief (gehiberneerd) in de bodem of in de gastheer. Zodra de bodemtemperatuur in april en mei structureel boven de 10°C stijgt en er voldoende vocht is, worden de larven actief. Ze kruipen uit de mestflatten omhoog op de grashalmen, vooral in de ochtend wanneer het gras bedauwd is, en worden door grazende dieren opgenomen.
Tegelijkertijd hebben veel dieren na de winter een verlaagde weerstand. De wintermaanden met stalvoedering, minder zonlicht en soms suboptimale voeding hebben hun tol geëist. De combinatie van actieve parasieten en verzwakte dieren maakt het voorjaar tot het absolute risicoseizoen voor wormproblemen.
Dit probleem wordt verergerd door toenemende resistentie tegen ontwormingsmiddelen. Decennialang zijn dieren routinematig ontwormd met chemische middelen, waardoor resistente wormpopulaties zijn ontstaan. In sommige gebieden is de resistentie tegen benzimidazolen (witte wormmiddelen) al meer dan 80%. Dit maakt het des te belangrijker om ook via voeding en management de wormlast te beheersen.
Welke dieren lopen het meeste risico?
- Lammeren en geitlammeren - zij hebben nog geen opgebouwde immuniteit tegen maag-darmwormen. Het eerste weideseizoen is voor lammeren het gevaarlijkst. De bloedzuigende haemonchus contortus (rode lebmaagworm) kan bij jonge lammeren binnen weken leiden tot ernstige bloedarmoede en sterfte
- Veulens - gevoelig voor spoelwormen (Parascaris equorum) en later in het seizoen voor kleine strongyliden. Spoelwormen kunnen bij massale infectie een darmverstopping veroorzaken
- Kalveren in hun eerste weideseizoen - nog niet eerder blootgesteld aan maag-darmwormen en longwormen (Dictyocaulus viviparus). Longworminfectie kan ernstige longontsteking veroorzaken
- Dieren met lage conditie - ondervoed is onderbeschermd. Dieren met een BCS onder 2,5 (op een schaal van 5) hebben een significant hogere wormlast
- Dieren rond het lammeren/afkalven - rondom de geboorte daalt de immuniteit tegen wormen tijdelijk (de zogeheten periparturient rise), waardoor het moederdier meer wormeieren uitscheidt en de weide extra besmet voor de jongen
Hoe voeding de weerstand versterkt
Eiwit en energie op peil houden
De immuunrespons tegen wormen kost het lichaam aanzienlijke hoeveelheden eiwit en energie. Een dier met een negatieve energiebalans - dat meer energie verbruikt dan het opneemt - kan simpelweg geen adequate immuunrespons opbouwen. De worm “wint” dan van het immuunsysteem en de besmetting loopt op.
Concreet betekent dit: zorg dat dieren het voorjaar ingaan met een goede conditie (BCS 3 tot 3,5 op een schaal van 5). Dieren die te mager de winter uitkomen, verdienen extra voeding vóór de weidegang begint. Voldoende eiwit in het rantsoen is essentieel voor de productie van antistoffen en de vorming van ontstekingsreacties in de darmwand die wormen afstoten.
Koper - met grote voorzichtigheid
Koper speelt een directe rol bij de afweer tegen maag-darmwormen, met name Haemonchus contortus bij schapen en geiten. Onderzoek heeft aangetoond dat koperoxide-bolussen bij lammeren de wormlast met 40-60% kunnen verminderen.
Maar let op: schapen zijn extreem gevoelig voor kopervergiftiging. De therapeutische marge is smal. Gebruik uitsluitend producten die specifiek voor schapen zijn goedgekeurd, en raadpleeg altijd een dierenarts voor het toedienen van koperbolussen. Gebruik nooit rundvee-, geiten- of paardenmineralen voor schapen.
Zink en selenium
Beide sporenelementen zijn belangrijk voor het goed functioneren van het immuunsysteem. Bij een tekort is de wormafstoot trager en de wormlast hoger. Selenium is daarnaast essentieel voor de productie van glutathionperoxidase, een antioxidant die de darmcellen beschermt tegen schade door de ontstekingsreactie tegen wormen.
In Nederland, waar de bodems arm zijn aan selenium, is suppletie bijna altijd nodig. Dit kan via mineraalmengsels, bolussen of injecties.
Tannines (looizuren) - natuurlijke wormbestrijding
Een van de meest veelbelovende ontwikkelingen in de parasietenbestrijding is het gebruik van planten die gecondenseerde tannines (CT) bevatten. Deze natuurlijke stoffen hebben een direct antiwormeffect:
- Esparcette (sainfoin) - het meest onderzocht. Bewezen effect tegen Haemonchus contortus bij schapen en geiten. Esparcette vermindert zowel de wormlast als de ei-uitscheiding
- Cichorei (chicorei) - bevat sesquiterpeen-lactonen die een antiwormeffect hebben. Kan worden ingezaaid in de weide als onderdeel van kruidenrijk grasland
- Paardenbloem - traditioneel gebruikt als natuurlijk ontwormmiddel. De werkzaamheid is minder goed wetenschappelijk onderbouwd dan esparcette, maar het draagt bij aan de algehele weerbaarheid
- Kruiden zoals tijm, oregano en knoflook - bevatten vluchtige oliën met antimicrobiële eigenschappen. De effectiviteit als ontwormer is beperkt, maar ze ondersteunen de algehele darmgezondheid
Belangrijk: tanninerijke planten vervangen geen ontworming wanneer dat nodig is, maar kunnen de wormlast verlagen met 30 tot 50%, waardoor minder vaak ontwormd hoeft te worden. Dit vertraagt de resistentieontwikkeling.
Praktische tips voor het voorjaar
- Mestonderzoek (FEC) vóór het weideseizoen: laat mestmonsters onderzoeken op wormeieren (eieren per gram, EPG). Ontworm alleen dieren die boven de drempelwaarde komen (doelgericht ontwormen in plaats van koppelbehandeling). Dit bespaart kosten en vertraagt resistentieontwikkeling
- Weidewisseling: wissel regelmatig van perceel. Wormlarven overleven 3-6 maanden in de bodem. Door te roteren geef je de larven op het vorige perceel de kans om af te sterven
- Maaien en slepen: na het weiden een perceel maaien of slepen verspreidt de mestflatten. Hierdoor drogen de larven sneller uit door blootstelling aan UV-licht en wind
- Niet te kort laten grazen: de overgrote meerderheid van de wormlarven bevindt zich in de onderste 5 centimeter van de grashalm. Door dieren niet korter te laten grazen dan 5-7 cm, verminder je de larvenopname drastisch
- Jonge dieren apart weiden: laat lammeren, geitlammeren en veulens bij voorkeur weiden op “schoon” land - percelen die in het voorgaande seizoen niet door dezelfde diersoort zijn beweid, of percelen die zijn gemaaid
- Gemengd beweiden: het samen weiden van verschillende diersoorten (bijvoorbeeld schapen en runderen) vermindert de wormlast omdat de meeste wormsoorten gastheerspecifiek zijn
Kruidenrijk grasland aanleggen
Een van de meest duurzame strategieen tegen wormen is het aanleggen van kruidenrijk grasland. In tegenstelling tot monotoon Engels raaigras biedt een diverse weide met kruiden, klavers en diepwortelende planten meerdere voordelen:
- Tanninerijke planten (esparcette, cichorei) verminderen de wormlast direct
- Diepwortelende kruiden (paardenbloem, weegbree) brengen mineralen uit diepere bodemlagen naar boven, wat de algehele mineraalstatus van de dieren verbetert
- Hogere biodiversiteit leidt tot een gezonder bodemleven, wat de afbraak van mestflatten versnelt en daarmee de overlevingskans van wormlarven vermindert
- Variatie in grashoogte zorgt ervoor dat dieren selectiever grazen en minder larven opnemen
Het inzaaien van kruidenrijk grasland is een investering die zich over meerdere jaren terugbetaalt in lagere dierenartskosten, minder ontwormmiddelen en gezondere dieren.
Controleer de conditie van je dieren met de VoerGids calculator - een goede conditie is de eerste verdedigingslinie tegen parasieten.