Schaap te mager: oorzaken en wat u kunt doen
Is uw schaap te mager? Ontdek de meest voorkomende oorzaken en hoe u ze weer op gewicht krijgt.

Conditiescore bepalen: hoe mager is te mager?
Voordat u conclusies trekt over het gewicht van uw schaap, is het belangrijk om objectief de lichaamsconditie te beoordelen. Bij schapen is het visueel lastig om de conditie in te schatten vanwege de wol. Daarom gebruiken veehouders en dierenartsen de Body Condition Score (BCS), een methode waarbij u met uw handen de vetbedekking over de ruggengraat en ribben voelt.
De BCS-schaal loopt van 1 tot 5:
| Score | Beschrijving | Beoordeling |
|---|---|---|
| 1 | Ruggengraat en ribben scherp voelbaar, geen vetlaag, spieren ingezakt | Ernstig vermagerd, direct handelen |
| 2 | Ruggengraat en ribben goed voelbaar met lichte druk, minimale vetlaag | Mager, bijvoeren nodig |
| 3 | Ruggengraat voelbaar met stevige druk, ribben voelbaar, goede vetbedekking | Ideaal voor de meeste situaties |
| 4 | Ruggengraat alleen met stevige druk voelbaar, ribben nauwelijks te onderscheiden | Vet, voer verminderen |
| 5 | Ruggengraat en ribben niet voelbaar, dikke vetlaag, brede rug | Obees, gezondheidsrisico |
De ideale BCS voor een schaap hangt af van het seizoen en de reproductieve status. Voor dekking is een BCS van 3 tot 3,5 optimaal. In de laatste maand van de dracht mag de score richting 3,5 tot 4 gaan vanwege de hoge energiebehoefte. Een schaap met een BCS van 2 of lager heeft direct aandacht nodig.
Hoe voert u de conditiescore uit? Ga achter het schaap staan en leg beide handen op de lendenen (het gebied net achter de laatste rib). Druk met uw duimen op de doornuitsteeksels van de ruggengraat en met uw vingers op de dwarsuitsteeksels. Voel hoe gemakkelijk u de botten kunt voelen en hoeveel vet en spierweefsel ertussen zit. Oefen dit regelmatig, bij voorkeur elke maand bij de hele kudde.
Parasitaire oorzaken: de grootste boosdoener
In Nederland zijn maagdarmwormen veruit de meest voorkomende oorzaak van vermagering bij schapen, vooral op bedrijven met weidegang. De belangrijkste soorten zijn Haemonchus contortus (de grote lebmaagworm, een bloedzuiger), Teladorsagia circumcincta en Trichostrongylus soorten.
Maagdarmwormen
Haemonchus contortus is bijzonder gevaarlijk omdat elke volwassen worm dagelijks 0,05 ml bloed zuigt. Bij een zware infectie met duizenden wormen leidt dit tot ernstige bloedarmoede, vermagering en in acute gevallen tot plotselinge sterfte. Symptomen zijn bleke slijmvliezen (controleer de binnenzijde van het onderste ooglid), verminderde eetlust, zachte of waterige mest en oedeem onder de kaak (flessenhals of bottle jaw).
De FAMACHA-methode is een praktisch hulpmiddel om bloedarmoede door Haemonchus te beoordelen zonder bloedonderzoek. Hierbij vergelijkt u de kleur van het slijmvlies aan de binnenkant van het onderste ooglid met een kleurenkaart:
- Score 1 (rood): gezond, niet ontwormen
- Score 2 (roze-rood): gezond, niet ontwormen
- Score 3 (roze): matig, individueel beoordelen
- Score 4 (roze-wit): bloedarmoede, ontwormen
- Score 5 (wit): ernstige bloedarmoede, direct ontwormen en ondersteunende behandeling
Leverbot
Leverbot (Fasciola hepatica) is een parasiet die via een tussengastheer (de leverbotslak, Galba truncatula) wordt opgenomen bij het grazen in natte weidegronden. De volwassen botten nestelen zich in de leverbuis en veroorzaken leverschade, vermagering, oedeem en bloedarmoede. Leverbot komt vooral voor in natte gebieden en na natte herfstperiodes. Een mestonderzoek op leverboteieren of bloedonderzoek op antistoffen kan de diagnose bevestigen.
Gebitsproblemen: vooral bij oudere schapen
Schapen hebben een gebit dat van nature slijt. De voortanden (snijtanden) in de onderkaak bijten af tegen een tandloze kaakplaat in de bovenkaak. Na verloop van jaren raken de tanden versleten, los of vallen ze uit. Een schaap met een gebroken gebit (broken mouth) kan minder efficient grazen en hooi eten, wat leidt tot geleidelijke vermagering.
Gebitsproblemen komen vooral voor bij schapen ouder dan 5 tot 6 jaar. Controleer het gebit door de lippen voorzichtig uiteen te trekken en de snijtanden te inspecteren. Loszittende, ontbrekende of scheef gegroeide tanden zijn direct zichtbaar. Een schaap met een slecht gebit heeft extra ondersteuning nodig: fijngemalen voer, makkelijk kauwbaar hooi (geen grove stengels), en eventueel extra krachtvoer om het gewichtsverlies te compenseren.
Naast slijtage van de snijtanden kunnen ook problemen met de kiezen optreden. Scherpe randen op de kiezen veroorzaken wondjes aan de wang of tong, waardoor het schaap pijn heeft bij het kauwen. Dit is extern lastig te zien, maar kenmerken zijn kauwen aan een kant, kwijlen, voer dat uit de bek valt en gewichtsverlies ondanks voldoende voer. Een dierenarts kan de kiezen beoordelen met een speculum.
Voedingstekorten en energiebalans
Een schaap kan vermageren doordat de voeding simpelweg te weinig energie bevat voor de behoefte. Dit gebeurt vaak in combinatie met een hoge energievraag, zoals bij drachtige of lacterende ooien.
Te weinig energie in het ruwvoer
De kwaliteit van hooi en kuilgras varieert enorm. Hooi dat te laat gemaaid is, bevat veel ruwe celstof maar weinig energie en eiwit. Een schaap dat alleen ruwvoer van slechte kwaliteit krijgt, kan onmogelijk in de energiebehoefte voorzien. Laat het ruwvoer analyseren op voederwaarde (VEM, DVE, OEB) bij een erkend laboratorium. Goed grashooi bevat 750 tot 850 VEM per kg droge stof. Komt het daaronder, dan is bijvoeren met krachtvoer noodzakelijk.
Dracht en lactatie
De energiebehoefte van een ooi stijgt dramatisch tijdens de laatste zes weken van de dracht en de eerste weken van de lactatie. Bij een tweelingdracht is de behoefte 70 tot 80% hoger dan bij een niet-drachtige ooi. Als u niet bijtijds bijvoert, raakt de ooi in een negatieve energiebalans en verbrand ze haar lichaamsvet en zelfs spierweefsel. Dit kan leiden tot slepende melkziekte (zwangerschapstoxicose), een levensbedreigende aandoening.
Bijvoerschema in de laatste 6 weken van de dracht:
- Eenlingdracht: 200 tot 300 gram krachtvoer per dag, opbouwend
- Tweelingdracht: 400 tot 600 gram krachtvoer per dag, opbouwend
- Drielingdracht: 600 tot 800 gram krachtvoer per dag, opbouwend
Mineralentekorten
Tekorten aan specifieke mineralen veroorzaken niet direct vermagering maar verzwakken het dier en verminderen de weerstand. Belangrijke mineralen voor schapen zijn selenium (tekort veroorzaakt witte spierziekte bij lammeren), kobalt (nodig voor vitamine B12-synthese in de pens; tekort veroorzaakt vermagering en bloedarmoede), en fosfor. Let er nogmaals op dat schapen geen koper mogen krijgen via mineralenmengsels die voor andere diersoorten bedoeld zijn.
Ziekten die vermagering veroorzaken
Naast parasitaire infecties zijn er enkele chronische ziekten die tot vermagering leiden:
- Johne's disease (para-tuberculose): een chronische darminfectie met Mycobacterium avium subsp. paratuberculosis. Veroorzaakt chronische diarree en progressieve vermagering bij volwassen schapen. Er is geen behandeling; besmette dieren moeten worden afgevoerd om verspreiding te voorkomen.
- CL (Caseous Lymphadenitis): een chronische infectie met Corynebacterium pseudotuberculosis die abcessen in de lymfeklieren veroorzaakt. Interne abcessen (in longen of lever) leiden tot geleidelijke vermagering. Uitwendige abcessen zijn zichtbaar als zwellingen bij de lymfeklieren.
- OPA (Ovine Pulmonary Adenocarcinoma): een virale longziekte die langzaam progressief is. Symptomen zijn vermagering, bemoeilijkte ademhaling en neusvloeiing. Geen behandeling beschikbaar.
- Chronische klauwproblemen: ernstig kreupele schapen eten minder doordat staan en lopen pijnlijk is, wat tot vermagering leidt.
Bijvoeren: strategie en hoeveelheden
Als u een te mager schaap heeft gediagnosticeerd (BCS onder 2,5) en de onderliggende oorzaak heeft behandeld, is gericht bijvoeren nodig om het gewicht te herstellen. Verhoog het krachtvoer geleidelijk met maximaal 100 gram per dag om pensacidose te voorkomen.
Een praktisch bijvoerschema voor een vermagerd schaap van 70 kg:
- Week 1: 200 gram krachtvoer per dag naast onbeperkt hooi
- Week 2: 300 gram krachtvoer per dag
- Week 3: 400 gram krachtvoer per dag
- Week 4 en verder: 400 tot 500 gram krachtvoer per dag totdat BCS 3 is bereikt
Kies krachtvoer met een hoog energiegehalte (minimaal 940 VEM per kg) en voldoende eiwit (minimaal 15% ruw eiwit). Schapenkorrels of schapenbrok van een gerenommeerd merk zijn het veiligst. Voeg geen extra koper toe en gebruik nooit rundveebrok of geitenbrok.
Wanneer naar de dierenarts?
Raadpleeg altijd een dierenarts in de volgende situaties:
- Het schaap heeft een BCS van 1 of lager (ernstig vermagerd)
- Vermagering gaat gepaard met diarree, koorts of ademhalingsproblemen
- Het schaap eet wel maar valt toch af (kan wijzen op Johne's of interne parasieten)
- Meerdere schapen in de kudde vermageren tegelijk
- Het schaap reageert niet op ontwormen en bijvoeren binnen 2 tot 3 weken
- Er is sprake van ernstige bloedarmoede (witte slijmvliezen, FAMACHA score 4-5)
Een dierenarts kan bloedonderzoek, mestonderzoek en eventueel een sectie uitvoeren om de exacte oorzaak vast te stellen. Vroeg ingrijpen voorkomt erger en bespaart uiteindelijk kosten.
Wilt u de voerbehoefte van uw schapen nauwkeurig berekenen? Gebruik de VoerGids voerberekening om op basis van gewicht, drachtstatus en seizoen te bepalen hoeveel ruwvoer en krachtvoer uw schaap nodig heeft.