← Alle artikelen
schapen18 april 2026door Nick Albers

Schapenras kiezen: de invloed op voeding

Elk schapenras heeft andere voedingsbehoeften. Ontdek de verschillen tussen sobere en productieve rassen en wat dit betekent voor het voerschema.

Schapenras kiezen: de invloed op voeding

Waarom het ras uitmaakt voor de voeding

Schapen zijn er in alle soorten en maten, van het piepkleine Ouessant-schaap van 15 kg tot de forse Texelaar van 90 kg of meer. Dit enorme verschil in lichaamsbouw heeft directe gevolgen voor de voedingsbehoefte. De onderhoudsbehoefte van een schaap wordt namelijk berekend op basis van het metabolisch lichaamsgewicht (lichaamsgewicht tot de macht 0,75). Een Texelaar van 80 kg heeft niet vier keer zoveel voer nodig als een Ouessant van 20 kg, maar wel twee tot drie keer zoveel.

Naast het gewicht spelen ook de genetische achtergrond en het gebruiksdoel van het ras een rol. Vleesrassen zijn gefokt op snelle groei en een hoge vleesaanzet, wat meer energie en eiwit vereist. Melkrassen hebben extra voeding nodig voor de melkproductie. En primitieve rassen zoals de Schotse Hooglander of de Drentse Heideschaap zijn juist gefokt om te overleven op schraal voer, waardoor ze snel te dik worden bij "normaal" voeren.

Lichte rassen versus zware rassen

De voedingsbehoefte verschilt aanzienlijk tussen lichte en zware schapenrassen. Hieronder een overzicht van de dagelijkse onderhoudsbehoefte voor niet-drachtige, niet-zogende ooien in de weideperiode:

Ras (categorie)Gewicht (kg)VEM/dag onderhoudDVE (g/dag)
Ouessant (dwergschaap)15-20350-43020-25
Schoonebeeker (licht)40-50620-72035-40
Swifter (middel)55-70790-92045-55
Suffolk (zwaar)70-90920-108055-65
Texelaar (zwaar)75-95960-110055-65

Deze cijfers gelden voor onderhoud. Bij dracht, lactatie, groei of koude omstandigheden liggen de behoeften aanzienlijk hoger. Een hoogdrachtige ooi heeft 30 tot 50% meer energie nodig dan een droge ooi, en een zogende ooi met twee lammeren kan wel het dubbele nodig hebben.

Vleesschapen, melkschapen en hobbyschapen

Vleesschapen zoals de Texelaar, Suffolk en Beltex zijn gefokt op een maximale vleesaanzet. Lammeren van deze rassen groeien snel, tot 350 tot 450 gram per dag in de opfokperiode. Om deze groei te realiseren hebben ze een rantsoen nodig dat rijk is aan energie en eiwit. Vleesraslammeren krijgen naast ruwvoer vaak lammerkorrel met 16 tot 18% ruw eiwit en minimaal 940 VEM per kg. Fokooien van vleesrassen moeten in goede conditie worden gehouden (BCS 3 tot 3,5 op de schaal van 5), maar niet te vet, want dat geeft problemen bij het lammeren.

Melkschapen zoals het Friese melkschaap of de Lacaune hebben vergelijkbare voedingsbehoeften als melkgeiten. Een goed producerend melkschaap geeft 2 tot 4 liter melk per dag en heeft daarvoor extra energie, eiwit en mineralen nodig. Per liter schapenmelk is circa 500 VEM extra nodig bovenop de onderhoudsbehoefte. Schapenmelk is vetter dan koemelk (6 tot 7% vet versus 3,5 tot 4%), wat de energiebehoefte extra hoog maakt.

Hobbyschapen worden puur voor het plezier gehouden en hoeven geen maximale productie te leveren. Veel hobbyhouders hebben decoratieve rassen zoals het Ouessant, de Cameroon of het Jacob-schaap. Bij deze dieren is goed weidegras in het groeiseizoen vaak al voldoende, aangevuld met hooi in de winter en een mineralenblok. De valkuil bij hobbyschapen is juist te veel voeren, wat leidt tot overgewicht en de bijbehorende gezondheidsproblemen.

Ruwvoer en krachtvoer per gewichtsklasse

De basis van het schapenrantsoen is ruwvoer: gras in de weideperiode en hooi of graskuil in de winter. De hoeveelheid ruwvoer die een schaap per dag opneemt, hangt samen met het lichaamsgewicht. Als vuistregel geldt dat een schaap 2 tot 3% van het lichaamsgewicht aan droge stof per dag opneemt.

Richtlijnen voor hooi in de winterperiode (droge, niet-drachtige ooien):

  • Kleine rassen (15-30 kg): 0,5 tot 0,8 kg hooi per dag
  • Middelgrote rassen (40-60 kg): 1 tot 1,5 kg hooi per dag
  • Grote rassen (70-95 kg): 1,5 tot 2,5 kg hooi per dag

Krachtvoer is nodig wanneer het ruwvoer niet voldoende energie en eiwit levert. Dit is vooral het geval bij:

  • Hoogdrachtige ooien (laatste 6 weken voor het lammeren)
  • Zogende ooien met meerdere lammeren
  • Snel groeiende lammeren van vleesrassen
  • Winters met ruwvoer van mindere kwaliteit

Geef krachtvoer altijd in beperkte hoeveelheden (maximaal 500 gram per keer per schaap) om pensverzuring te voorkomen. Bouw de hoeveelheid geleidelijk op over minimaal 2 weken.

Primitieve rassen en het risico op vervetting

Primitieve en zeldzame schapenrassen verdienen speciale aandacht op het gebied van voeding. Rassen zoals het Drentse Heideschaap, Schoonebeeker, Veluws Heideschaap en Ouessant zijn over eeuwen heen geselecteerd op overleving in schrale omstandigheden. Ze zijn uiterst efficient in het omzetten van voer naar lichaamsreserves, een eigenschap die in de natuur een voordeel is, maar in de hobbyhouderij tot problemen leidt.

Deze rassen worden op Nederlands weidegras (dat veel rijker is dan heide of schraal grasland) snel te dik. De gevolgen van overgewicht bij schapen zijn ernstig:

  • Zwangerschapstoxicose (slepende melkziekte): paradoxaal genoeg juist een risico bij te dikke ooien die drachtig zijn. Het overmatige vet drukt op de pens, de ooi eet minder en raakt in een negatieve energiebalans.
  • Lammeerproblemen: te dikke ooien hebben meer kans op een zware bevalling
  • Myiasis (maden): dikke schapen met vetplooien zijn gevoeliger voor vliegenlarven
  • Kreupelheid: overgewicht belast de gewrichten en klauwen

Beperk de weidegang voor primitieve rassen door middel van strip grazing (het weiland in stroken aanbieden) of laat ze grazen op schraler grasland. Geef in de winter uitsluitend hooi van matige kwaliteit en geen krachtvoer, tenzij de ooien drachtig of zogend zijn.

Mineraalbehoeften per ras

Alle schapen hebben mineralen nodig, maar de specifieke behoeften kunnen per ras en gebruiksdoel verschillen:

  • Koper: dit is het meest complexe mineraal bij schapen. Schapen zijn zeer gevoelig voor kopervergiftiging, veel gevoeliger dan runderen of geiten. Geef nooit rundvee- of geitenmineralen aan schapen. Sommige rassen, zoals de Texelaar en het North Ronaldsay, zijn extra gevoelig. Gebruik uitsluitend mineralenmengsels die specifiek voor schapen zijn samengesteld.
  • Selenium: Nederlandse bodems zijn arm aan selenium. Een tekort leidt tot wittespierziekte bij lammeren. Suppletie via het mineralenmengsel of een jaarlijkse injectie is in de meeste regio's noodzakelijk.
  • Calcium en fosfor: extra belangrijk bij zogende ooien en snel groeiende lammeren. De verhouding moet rond 2:1 liggen.
  • Magnesium: een tekort (kopziekte/grasstetanie) komt vooral voor in het voorjaar bij schapen op jong, eiwitrijk gras. Oudere ooien zijn het meest gevoelig.
  • Kobalt: nodig voor de aanmaak van vitamine B12. Een tekort komt voor op zandgronden en leidt tot groeivertraging bij lammeren.

Tips voor beginners

Als u begint met het houden van schapen, is de raskeuze een van de belangrijkste beslissingen. Bedenk goed wat u wilt: wilt u lammeren fokken, melk produceren, of gewoon een paar schapen in de wei als gezelschap? Bij die keuze horen de volgende voedingsadviezen:

  1. Kies een ras dat past bij uw grondsoort en grasland. Primitieve rassen op rijke kleigrond is vragen om problemen.
  2. Laat uw hooi of kuil analyseren op voederwaarde. Zonder analyse bent u aan het gokken.
  3. Gebruik altijd een mineralenmengsel dat specifiek voor schapen is samengesteld.
  4. Leer de Body Condition Score (BCS) beoordelen. Voel regelmatig over de ruggengraat en lendenen of uw schapen de juiste conditie hebben (ideaal: BCS 3 tot 3,5).
  5. Weeg uw schapen minimaal 4 keer per jaar: voor het dekseizoen, halverwege de dracht, bij het lammeren en bij het spenen.
  6. Zorg altijd voor schoon drinkwater. Een schaap drinkt 4 tot 8 liter per dag, meer bij warm weer of lactatie.

Wilt u de voedingsbehoefte van uw schapen nauwkeurig berekenen op basis van ras, gewicht en productie? Gebruik de VoerGids calculator voor een advies op maat, gebaseerd op de officiele CVB-normen.