Struisvogelkuikens opfokken: voeding van kuiken tot jonge vogel
Struisvogelkuikens opfokken: de eerste dagen op de dooierzak, opfokvoer met de juiste eiwitbalans, waarom te snelle groei pootproblemen geeft, grit, groenvoer en het gevaar van maagverstopping. Praktische gids.

Van 900 gram naar 100 kilo
Een struisvogelkuiken weegt bij het uitkomen zo'n 800 tot 900 gram. Een jaar later staat er een vogel van ruim 100 kilo. Geen enkel ander landdier dat je in Nederland kunt houden, groeit zo hard, en precies die groei maakt de opfok tot het spannendste deel van het struisvogels houden. De marges zijn klein: te weinig voer remt de ontwikkeling, te rijk voer laat het gewicht sneller groeien dan de poten aankunnen. Wie de basisvoeding van volwassen vogels al kent uit struisvogels en emoes voeren, vindt hier de verdieping voor de jongste dieren.
De eerste dagen: de dooierzak doet het werk
Een kersvers kuiken hoeft de eerste twee tot drie dagen nauwelijks te eten. Het teert op de dooierzak die het uit het ei meeneemt en die de eerste dagen energie, vocht en afweerstoffen levert. Dring in die fase geen voer op; laat het kuiken op temperatuur komen, drogen en op krachten komen.
Zet wel vanaf de eerste dag ondiep, schoon drinkwater neer en ververs dat vaak. Struisvogelkuikens leren drinken door na te doen; tik zelf met je vinger in het water of zet een ouder, tam kuiken erbij en de rest volgt. Vanaf dag twee of drie strooi je wat fijngemalen opfokvoer op een lichte, schone ondergrond of in een platte bak. Kuikens pikken van nature naar contrasterende puntjes, dus een paar fijngeknipte sprietjes vers groen door het voer helpen ze op weg.
Opfokvoer: de eiwitbalans luistert nauw
Gebruik een opfokvoer dat voor loopvogels is gemaakt, of laat je door de voerleverancier adviseren over het dichtstbijzijnde alternatief. In de eerste levensmaanden hoort het eiwitgehalte rond de 19 tot 22 procent te liggen, met voldoende calcium en fosfor in de juiste verhouding. Kuikenvoer voor kippen lijkt handig, maar bevat vaak een coccidiostaticum en te weinig van de vezels waar de darm van een loopvogel op is gebouwd; gebruik het alleen als noodoplossing en nooit medicinale varianten.
Belangrijker nog dan het gehalte is de hoeveelheid. Onbeperkt rijk voer plus weinig beweging is het recept voor gedraaide poten en doorgezakte gewrichten, de beruchte opfokfouten bij loopvogels. Voer daarom in porties, twee tot vier keer per dag wat in een kwartier tot een half uur op is, en laat de kuikens de rest van de dag scharrelen en bewegen. Een kuiken dat elke dag flink loopt, bouwt botten en pezen die de groei kunnen dragen.
Vezels, groen en grit
Vanaf een week of twee mag er structuur bij: fijngesneden vers gras, luzerne of jong groenvoer, in kleine hoeveelheden die dagelijks vers worden aangeboden. Zo went de darm aan vezels en leert het kuiken grazen, want een volwassen struisvogel haalt een groot deel van zijn rantsoen uit gras en kruiden.
Onmisbaar daarbij is grit of fijn maagkiezel. Loopvogels vermalen hun voedsel in de spiermaag met steentjes, en een kuiken dat vezels eet zonder steentjes binnen te krijgen, kan zijn voer niet verwerken. Strooi vanaf het moment dat er groenvoer bij komt fijn grit bij het voer, in een formaat dat bij het kuiken past, en schaal dat mee op naarmate de vogel groeit.
Maagverstopping: het grootste opfokgevaar
De beruchtste doodsoorzaak bij struisvogelkuikens is een verstopte maag. Kuikens pikken uit nieuwsgierigheid alles op: lange grasstengels, stro, houtkrullen, steentjes die te groot zijn, stukjes plastic en draad. Lang, taai materiaal vilt zich in de maag tot een prop die niets meer doorlaat. Een kuiken met een verstopping wordt sloom, eet minder maar blijft vaak wel pikken, en valt daarna snel weg.
- Houd het opfokverblijf leeg en schoon: geen los stro of hooi als bodembedekking in de eerste weken, geen rondslingerend touw of plastic.
- Geef groenvoer altijd fijngesneden, in stukjes van hooguit een paar centimeter.
- Laat kuikens niet los op lang, oud gras; maai het uitloopje kort zodat er alleen jonge, korte sprietjes staan.
- Zie je een kuiken dat trager wordt en achterblijft in groei, schakel dan direct een dierenarts in; vroeg ingrijpen kan het verschil maken.
Warmte, rust en hygiëne horen bij het voeren
Eetgedrag en klimaat zijn bij kuikens niet los te zien. Een kuiken dat het koud heeft, eet niet; een kuiken dat het te warm heeft ook niet. Begin de eerste week met een warmtezone van rond de 30 graden en bouw per week een paar graden af, en kijk vooral naar het gedrag: kuikens die op een kluitje onder de lamp kruipen hebben het koud, kuikens die de randen opzoeken en hijgen hebben het te warm. Verdeeld scharrelende, af en toe etende kuikens zitten goed.
Hygiëne rond het voer is de tweede stille succesfactor. Jonge loopvogels zijn gevoelig voor darminfecties, en die beginnen vrijwel altijd bij nat, bevuild of oud voer. Geef geen grotere porties dan er in een half uur doorheen gaan, gooi restjes weg, maak voer- en waterbakken dagelijks schoon en houd de opfokruimte droog. Vochtige, warme hoeken zijn broedplaatsen voor schimmels, en schimmelsporen in het voer zijn voor kuikens al in kleine hoeveelheden gevaarlijk. Wie twijfelt over de mest: gezonde kuikenmest is stevig met een wit dopje; aanhoudend waterige of bloederige mest is reden om direct de dierenarts te bellen.
Van kuiken naar jonge vogel
Rond drie maanden gaat het opfokvoer geleidelijk over in een groeivoer met wat minder eiwit, en vanaf een maand of zes groeit het rantsoen toe naar dat van een volwassen vogel: veel gras en ruwvoer, aangevuld met een onderhoudsbrok. Blijf tot ver in het eerste jaar op de poten letten; een jonge struisvogel die kreupel loopt of door de enkels zakt, heeft direct aandacht nodig, want wat scheef vastgroeit, krijg je niet meer recht. Houd je naast struisvogels ook kleinere loopvogels, dan lees je in nandoes en emoes voeren hoe hun behoeften verschillen.
Wie de eerste drie maanden doorkomt met rustige groei, sterke poten en een schone opfokruimte, heeft het moeilijkste gehad. Houd wel een groeidagboek bij: noteer wekelijks het gewicht van een paar kuikens en je ziet een haperende groei of een te snelle uitschieter weken eerder dan aan het oog. Daarna doet de natuur wat ze bij struisvogels het liefst doet: indrukwekkend hard groeien.