← Alle artikelen
Schapen31 juli 2026door Nick Albers

De rode lebmaagworm: waarom lammeren er zomaar aan doodgaan

De rode lebmaagworm (Haemonchus contortus) veroorzaakt bloedarmoede en plotselinge sterfte bij lammeren, zonder diarree. Herken bleke slijmvliezen en waterzak op tijd, en lees wat eiwit, mineralen en weidebeheer bijdragen.

De rode lebmaagworm: waarom lammeren er zomaar aan doodgaan

Een worm die geen diarree geeft

De meeste schapenhouders zoeken naar wormen als de lammeren dun op de mest gaan. Juist daarom wordt de rode lebmaagworm zo vaak gemist: hij geeft meestal helemaal geen diarree. De mest blijft er normaal uitzien terwijl het lam vanbinnen leegloopt. Niet zelden is het eerste signaal een lam dat dood in de wei ligt, vaak een van de beste van het koppel.

Haemonchus contortus, zoals de worm officieel heet, leeft in de lebmaag: de vierde maag van het schaap, de enige met echte maagsapproductie. Daar bijt hij de wand aan en zuigt bloed. De volwassen worm is een tot drie centimeter lang en dankt zijn naam aan het uiterlijk van de vrouwtjes, waarbij de met bloed gevulde darm zich rood om de witte eierstokken windt. In het Engels heet hij daarom de barber's pole worm, naar de gedraaide rood-witte kapperspaal.

Waarom hij zo dodelijk is voor lammeren

Eén worm drinkt ongeveer een twintigste milliliter bloed per dag. Dat lijkt niets, maar het zijn er zelden weinig. Bij een flinke besmetting zitten er duizenden in de lebmaag, en dan verdwijnt er honderd tot tweehonderd milliliter bloed per dag. Een lam van dertig kilo heeft in totaal maar zo'n twee liter bloed. Reken uit hoe lang dat goed gaat.

Bij een geleidelijke besmetting maakt het lichaam nieuw bloed aan en houdt het lam het een tijd vol, tot de ijzervoorraad op is en het snel bergafwaarts gaat. Bij een plotselinge, massale opname van larven kan een lam binnen een week doodgaan zonder dat je vooraf iets bijzonders hebt gezien. Lammeren in hun eerste weideseizoen zijn het kwetsbaarst, omdat ze nog geen weerstand hebben opgebouwd. Volwassen ooien verdragen dezelfde besmetting doorgaans zonder problemen, en daardoor ziet een koppel er gezond uit terwijl de lammeren in de gevarenzone zitten.

Waarom de nazomer het risicoseizoen is

De cyclus draait op warmte en vocht. Eieren komen met de mest op het land, en bij warm, vochtig weer ontwikkelen ze zich in vier tot zeven dagen tot infectieuze larven die tegen de grashalmen opkruipen. Bij koeler weer duurt dat weken. Augustus en september, met warme dagen en dauw of buien, geven daarom de snelste opbouw van het jaar.

Daar komt de voortplantingssnelheid bij. Een vrouwtje legt vijfduizend tot tienduizend eieren per dag. Een handjevol besmette dieren kan een perceel in enkele weken zwaar besmetten, zeker als de lammeren de hele zomer op hetzelfde stuk lopen. De besmettingsdruk in de wei bouwt zich dus stil op en piekt precies wanneer de lammeren het hardst groeien.

Nog een eigenschap maakt hem lastig: bij ongunstig weer kunnen de larven hun ontwikkeling in de lebmaag stilzetten en daar de winter doorkomen. In het voorjaar worden ze alsnog volwassen, net wanneer de ooien rond het lammeren een dip in hun weerstand hebben. Zo start het seizoen opnieuw met een golf eieren op het land, waar de nieuwe lammeren later last van krijgen. Over die voorjaarskant schreven we eerder in parasieten in het voorjaar: hoe voeding helpt bij preventie.

Hoe je het op tijd ziet

Omdat de mest je niet waarschuwt, moet je naar bloedarmoede kijken. Trek bij een lam voorzichtig het onderste ooglid naar beneden en beoordeel de kleur van het slijmvlies. Gezond is dat stevig roze tot rood. Wordt het lichtroze, bleek of bijna wit, dan is er sprake van bloedarmoede en heeft het dier haast. Er bestaat een gestandaardiseerde kleurenkaart voor deze beoordeling, de FAMACHA-kaart, waarmee je met vijf kleurtrappen werkt. Je dierenarts kan je leren hoe je die betrouwbaar afleest.

Andere signalen die passen bij een zware besmetting:

  • Een zachte, deegachtige zwelling onder de kaak, de zogeheten waterzak. Die ontstaat doordat het bloedeiwit te laag wordt en vocht in het weefsel zakt.
  • Lammeren die achterblijven bij de rest van de groep, snel buiten adem zijn of gaan liggen zodra je ze opjaagt.
  • Een koppel dat ondanks goed gras niet doorgroeit, of lammeren die juist afvallen terwijl ze wel vreten.
  • Een bleke, slappe indruk zonder koorts en zonder diarree.

Zekerheid geeft alleen mestonderzoek. Laat mest van meerdere lammeren uit hetzelfde koppel onderzoeken op eitellingen; bij deze worm loopt de telling vaak hoog op. Doe dat bij voorkeur voordat je iets toedient, zodat je weet waar je aan begint. Sterft er onverwacht een lam, laat dan sectie doen. In de lebmaag zijn de wormen met het blote oog te zien, en dan weet je meteen waar de rest van het koppel aan toe is.

Behandelen: overleg en wees zuinig op je middelen

De behandeling zelf hoort bij je dierenarts, omdat de keuze van het middel afhangt van wat er op jouw bedrijf nog werkt. Resistentie is namelijk het grootste probleem geworden. Deze worm ontwikkelt sneller ongevoeligheid voor ontwormingsmiddelen dan de meeste andere soorten, en tegen de oudere middelen is die resistentie in Nederland op veel plaatsen al fors.

Wat je zelf kunt doen om je middelen werkzaam te houden:

  • Ontworm niet routinematig het hele koppel, maar behandel gericht de dieren die het nodig hebben op grond van bloedarmoede en mestonderzoek. De onbehandelde dieren houden een populatie wormen in stand die nog gevoelig is voor het middel, en dat vertraagt de resistentie.
  • Doseer op het zwaarste dier van de groep die je behandelt, niet op het gemiddelde. Te laag doseren kweekt resistentie.
  • Laat na een behandeling controleren of het middel echt gewerkt heeft, met een mestmonster na ongeveer twee weken. Zonder die controle weet je niet of je hebt ontwormd of alleen betaald.
  • Koop je dieren aan, zet ze dan eerst apart en behandel ze voordat ze bij de rest komen. Zo importeer je geen resistente wormen op je erf.

Wat voeding wel en niet kan

Voer maakt geen enkel lam wormvrij. Wat het wel doet, is bepalen hoeveel schade een besmetting aanricht en hoe snel een lam er weer bovenop komt. Dat verschil is in de praktijk groot.

Eiwit doet daarbij het meeste werk. Een lam dat bloed en bloedeiwit verliest, moet dat continu opnieuw aanmaken, en tegelijk zijn afweer op peil houden en gewoon doorgroeien. Bij een krappe eiwitvoorziening gaat groei voor afweer, en dan wordt een matige besmetting alsnog een ernstige. Lammeren die ruim in het goed verteerbare eiwit zitten, verdragen dezelfde wormlast merkbaar beter en scheiden vaak ook minder eieren uit. In de nazomer is dat iets om op te letten, want verouderd, doorgeschoten gras zakt sterk in eiwitgehalte terwijl juist dan de besmettingsdruk stijgt. Vers gras, klaverrijk land of bijvoeding met een eiwitrijk krachtvoer helpt de lammeren die periode door.

Voor bloedaanmaak zijn daarnaast ijzer, kobalt en vitamine B12 van belang. Kobalttekort komt op sommige zandgronden voor en geeft precies hetzelfde beeld als een wormprobleem: sloom, bleek en niet groeien. Wees voorzichtig met koper, want schapen zijn daar gevoelig voor en een rundermineraal kan ze vergiftigen. Kies altijd een mineraal dat voor schapen bedoeld is; hoe je dat aanpakt staat in mineralen voor schapen: waar moet je op letten.

Let ook op de ooien in de laatste weken van de dracht en tijdens de lactatie. Hun weerstand zakt in die periode, waardoor ze meer eieren uitscheiden en de wei besmetten waar hun eigen lammeren straks lopen. Een ruime eiwitvoorziening rond het lammeren beperkt die piek. De opbouw daarnaartoe staat in lammeren opfokken: voeding van geboorte tot spenen, en voor de conditie van de ooien zelf in schaap te mager: oorzaken en wat je kunt doen.

Weidebeheer scheelt het meest

Je bestrijdt deze worm vooral buiten, niet in de dieren. De larven zitten in de onderste vijf centimeter van de grasmat, waar het vochtig blijft. Alles wat voorkomt dat lammeren daar moeten vreten, verlaagt de opname:

  • Laat lammeren niet te kort afgrazen. Haal ze van het perceel voordat ze in de zode moeten happen.
  • Wissel percelen af en zet lammeren waar mogelijk op land dat dit seizoen gemaaid is of door paarden of runderen is begraasd. Die nemen de schapenlarven op zonder er ziek van te worden, en zo maken ze het land schoner.
  • Zet lammeren na spenen bij voorkeur op het schoonste perceel dat je hebt, want dat is het moment waarop ze het kwetsbaarst zijn.
  • Voer ruwvoer nooit op de grond maar uit een ruif, zeker op percelen die zwaar beweid zijn.
  • Houd bij welk perceel wanneer door lammeren begraasd is. Een simpel schriftje is genoeg om te voorkomen dat je ze twee jaar op rij op hetzelfde besmette stuk zet. Meer daarover in graslandbeheer voor dierhouders.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat er geen wormprobleem is omdat de mest normaal is.
  • Op de kalender ontwormen in plaats van op mestonderzoek en de kleur van de slijmvliezen.
  • Alleen naar de ooien kijken; die blijven gezond terwijl de lammeren eraan onderdoor gaan.
  • Lammeren het hele seizoen op hetzelfde perceel houden, waardoor de besmetting zich opstapelt.
  • Een bleek lam alleen ontwormen en verder niets doen. Het herstel van de bloedaanmaak duurt weken en vraagt goed voer, schaduw en rust.
  • Na een behandeling meteen aannemen dat het middel gewerkt heeft, zonder controle.

Hoeveel voer hebben je lammeren nodig?

Lammeren die een besmetting doormaken of ervan herstellen, hebben meer nodig dan de norm voor gezonde groei. Op de schapenpagina rekent de calculator per ras, gewicht en levensfase uit hoeveel voer en welke energie- en eiwitbehoefte daarbij hoort, zodat je weet wat je aan moet vullen naast het gras. Twijfel je of een lam bleek is of ziek: bel je dierenarts liever een dag te vroeg dan een dag te laat, want bij deze worm is dat precies het verschil.